Staatssecretaris Heijnen (Fiscaliteit) denkt niet dat veel woningbeleggers de komende jaren belasting zullen gaan ontwijken door toekomstige huurtermijnen te verkopen. Hij vindt aanpassing van de tegenbewijsregeling niet nodig.
Kamerleden Inge van Dijk (CDA) en Luc Stultiens (GL-PvdA) hadden vragen gesteld over de stelling van fiscalist Eric van Uunen, die in het FD betoogde dat belasting ontwijken voor particuliere woningverhuurders een koud kunstje is.
De tegenbewijsregeling in box 3, die als overbrugging moet dienen tot er een manier is gevonden om spaar- en beleggingstegoed te belasten tegen werkelijk rendement, biedt woningbeleggers mogelijkheden om de belastingdruk te verlagen. Zo kunnen rente- en huurbetalingen zo veel mogelijk in één jaar worden geconcentreerd, waarna in het volgende jaar de belasting wordt gedrukt met de tegenbewijsregeling, zo was de strekking van Van Uunens verhaal.
Weinig effect
Heijnen erkent dat belastingvoordeel halen op die manier soms mogelijk is. ‘Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.’
Ook nu kan jaarlijks worden gekozen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. ‘Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling.’
Per saldo geen gevolgen
De Kamerleden hadden specifiek ingezoomd op particuliere woningbeleggers die de box 3-heffing gedeeltelijk kunnen ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv. ‘Kan dat ook door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen?’, wilde Stultiens (GL-PvdA) weten. Heijnen geeft aan dat het niet mogelijk is om via verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar te laten vallen. ‘Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld.’
Per saldo heeft het dan geen gevolgen voor box 3, aldus Heijnen (BBB). Hij verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 2009. ‘De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak.’ Dat recht leidt tot een waardedaling die echter weer teniet wordt gedaan door de overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt. ‘Bovendien is het vooruit laten betalen van de huur door een huurder alleen mogelijk als de huurder hiermee akkoord gaat. Huurders hebben hier in principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Hierbij is van belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box 3, maar in box 1 worden belast.’
Geen reparatie nodig
Heijnen vindt daarom dat er voor het overbruggingsstelsel geen reparatiewetgeving nodig is. Wel komt er een aanpassingswet die regelt dat met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 ook de genotsrechten worden opgenomen. ‘Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.’
Van Uunen laat aan het FD weten dat Heijnen de plank misslaat bij de interpretatie van de uitspraak van de Hoge Raad en dat hij het onderscheid tussen woningen en ander vastgoed over het hoofd ziet.
Uitgangspunt blijft WOZ-waarde
Heijnen voelt er ook niets voor om als inbrengwaarde in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 uit te gaan van de waarde in het economisch verkeer, in plaats van de WOZ-waarde. ‘Dit is in het kader van het tegengaan van belastingontwijking niet nodig. Gebruikmaken van de WOZ-waarde sluit aan bij de huidige systematiek van box 3 en is eenvoudig voor zowel de belastingplichtige als voor de Belastingdienst.’
