Het bouwen van woningen, kantoren en bedrijfspanden buiten de dijken is doorgaans geen logische keuze, gezien de kans op wateroverlast. De meeste verzekeraars sluiten buitendijkse gebieden zelfs uit. Nieuw landelijk onderzoek toont aan dat het risico minder groot is dan gedacht.
Schade door wateroverlast is een gevoelig onderwerp in Nederland, zeker na de Watersnoodramp van 1953, maar gaandeweg heeft de verzekeringssector het thema op de agenda gezet. Zo is schade door neerslag sinds het begin van deze eeuw goed verzekerbaar, alsmede het falen van niet-primaire waterkeringen via opstal- en inboedelpolissen. Buitendijkse gebieden vallen wat dat betreft nog buiten de boot. De risico’s stonden echter niet helemaal helder op de radar, reden voor het Verbond van Verzekeraars om ze verder te laten onderzoeken.
Onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau voor waterbeheer HKV Lijn in Water heeft in opdracht van het Verbond van Verzekeraars een landelijke kaart ontwikkeld met buitendijkse gebieden in Nederland, inclusief een webservice die per locatie inzicht biedt in de buitendijkse status en de bijbehorende waterdieptes bij verschillende herhalingstijden. Het effect van klimaatverandering is in het rapport meegenomen. Met de landelijke kaart buitendijks gebied is er voor het eerst een consistente, reproduceerbare en landelijke basis voor de interpretatie van buitendijkse ligging in Nederland.
Niet per se risico
Voor het hoofdwatersysteem zijn zo’n 125.000 verblijfsobjecten als buitendijks aangemerkt. Het hoofdwatersysteem omvat gebieden als uiterwaarden langs rivieren, havens en buitendijkse stukken aan kust en langs de grote meren. Het gaat wat verblijfsobjecten betreft vooral om woonfuncties, maar ook industrie, kantoren, logies en winkels zijn onderzocht.
Het onderzoek toont aan dat er grote verschillen zijn tussen de buitendijkse locaties met betrekking tot overstromingsrisico’s. Als een overstroming eens in de 10 jaar voorkomt, blijft ongeveer 89% van de verblijfsobjecten droog. Zo’n 6% van de objecten kampt dan met wateroverlast van minder dan 20 cm hoog, bij de overige 5% zou het water in het pand hoger dan 20 cm reiken.
Gaat het om een overstroming eens per 100 jaar, dan is dit ongeveer 81%. Minder dan een vijfde heeft dus natte voeten. Voor ongeveer 8% is de waterdiepte maximaal 20 cm. Voor 5% van de verblijfsobjecten geldt een waterdiepte van 20 cm tot 50 cm. De overige 6% heeft kans op wateroverlast met een hoogte van meer dan een halve meter. Bij extremere gebeurtenissen met een herhalingstijd van 1.000 jaar, heeft 67% van de gebouwen geen wateroverlast. Een substantieel deel daarvan heeft een relatief beperkte wateroverlast van 20 cm.
Er is bij de berekeningen van de waterdiepte nog geen rekening gehouden met adaptatiemaatregelen, zoals zandzakken, waterschotten of verhoogde drempels. Dergelijke maatregelen kunnen volgens de onderzoekers schade voorkomen of beperken tot een halve meter waterdiepte.
Beperkte gebouwschade
Het beeld voor het regionaal watersysteem is nog genuanceerder. Hoewel zo’n 150.000 verblijfsobjecten als buitendijks vanuit het regionaal watersysteem zijn geclassificeerd, blijken de daadwerkelijke waterdieptes zeer beperkt. In vrijwel alle scenario’s blijft de wateroverlast beneden de 20 cm. Zelfs bij een herhalingstijd van 1.000 jaar bedraagt het aandeel objecten met een waterdiepte van 0,2 meter landelijk gezien slechts 2%.
De onderzoekers concluderen dan ook dat regionale buitendijkse overstromingen in de meeste gevallen leiden tot beperkte gebouwschade. Het water reikt veelal niet boven de drempelhoogte van gebouwen en de risico’s bij een regionaal watersysteem zijn beduidend kleiner dan bij het hoofdwatersysteem.
Klimaatverandering
De effecten van klimaatverandering op de waterstand spelen volgens de onderzoekers vooral op de lange termijn een rol. In de komende decennia blijft de verandering van de buitendijkse waterstanden naar verwachting beperkt. Vanaf de tweede helft van deze eeuw kan de waterstand echter met meerdere decimeters tot een meter stijgen, afhankelijk van het klimaatscenario.
In het hoofdwatersysteem zijn de buitendijkse gebieden gevoelig voor klimaatverandering. Een stijgende zeespiegel en hogere rivierafvoeren leiden hier tot hogere waterstanden. Hierdoor nemen zowel de omvang als de waterdieptes toe. Voor het regionale systeem is de link met zeespiegelstijging indirecter. Hier is de rivierafvoer maatgevend. De impact van klimaatverandering is dan ook kleiner dan voor het hoofdwatersysteem.
Heroverwegen
De risico’s zijn over het geheel genomen geringer dan eerder werd aangenomen, al verschillen ze per locatie. Zeker in regionale buitendijkse gebieden is het overstromingsrisico laag. De onderzoekers bevelen individuele verzekeraars dan ook aan, om de uitsluiting van buitendijkse gebieden in heroverweging te nemen.
‘Schade door extreme neerslag en het overlopen van regionale watersystemen is immers elders doorgaans standaard gedekt. In het hoofdwatersysteem blijft bij een herhalingstijd van 100 jaar 81% van de verblijfsobjecten droog. Daarnaast is bij de waterdieptes geen rekening gehouden met verhoogde drempels, zandzakken of andere adaptatiemaatregelen. Het stimuleren van maatregelen kan schade reduceren. Het is voor zowel het regionaal watersysteem als het hoofdwatersysteem aan de verzekeraar zelf om hier een keuze in te maken’, aldus HKV Lijn in Water.
