Optoppen en transformeren helpen nauwelijks nog bij oplossen woningnood

Het oplossen van de woningnood zal moeten komen van de bouw van nieuwe woningen en niet gerekend moet worden op meer woningen vanuit kanalen als transformatie, splitsen en optoppen. 

Dat is de conclusie in een nieuwe studie van de EIB (Economisch Instituut voor de Bouw), ‘Het belang van de bestaande voorraad voor het oplossen van de woningnood’. Het aantal woningen door transformatie van kantoren bijvoorbeeld is bijna gehalveerd tot 6500. Volgens het EIB zijn de aantallen die in het verleden werden geopperd niet realistisch.

Er werd daarnaast ook gezegd dat 100.000 woningen via optoppen zouden kunnen worden gerealiseerd en 70.000 woningen boven winkels. De EIB zegt dat de feitelijke ontwikkelingen iets anders laten zien en daar gaat het om. Optoppen zorgt nu voor vijf- tot zeshonderd extra woningen per jaar.

Omdat de trend van woningtoevoeging langs deze weg zelfs een dalende lijn laat zien, aldus het EIB, zal nog meer nadruk moeten worden gelegd op nieuwbouw. Het is beter niet meer te rekenen op alternatieve oplossingen.

Wat ging er mis?

Toch waren de beschikbare budgetten en subsidies hiervoor relatief hoog. Wat ging er mis? Waarop zijn de hooggespannen verwachtingen voor hergebruik van de bestaande voorraad dan gebaseerd?

Het EIB zegt hier het volgende over. Bij de beschouwing van de rapporten en berichten hierover kunnen twee categorieën worden onderscheiden. De eerste categorie betreft partijen die herhaaldelijk bezwaar hebben geuit tegen nieuwbouw, in het bijzonder nieuwbouw buiten het bebouwde stedelijk gebied. De enorme mogelijkheden van het beter benutten van de bestaande voorraad worden dan als argument naar voren gebracht om deze nieuwbouw – die dan overbodig zou zijn – niet te hoeven verrichten. Vaak gaat dit ook gepaard met normatieve beelden over huishoudens die verkeerd zouden wonen.

De andere categorie bestaat uit beschouwingen waar verkeerde conclusies worden verbonden aan statistiek. Zodra administratieve gegevens beter worden bekeken en achtergronden worden beschouwd, dan verdwijnen de grote aantallen als sneeuw voor de zon, zoals in het rapport van het EIB met voorbeelden wordt aangetoond.