De opzet van het Haagse woon–werkgebied De Resident was voor de betrokken Nederlandse architecten een eyeopener. De gebouwen moesten zich voegen naar de openbare ruimte. ‘Een behoorlijk spannend proces’, aldus Sjoerd Soeters.
Een kantelpunt, zo typeren architecten het ontstaan van De Resident in Den Haag. Het woon–werkgebied verrees een kwart eeuw geleden tussen centraal station en centrum, teruggrijpend op de inrichting van historische binnensteden. Met torens als ‘moderne kathedralen’ – waarvan eentje kort na oplevering oneerbiedig werd omgedoopt tot de Haagse Tieten – rond drie aaneengeschakelde pleinen. Het begon allemaal met de openbare ruimte, en dat was voor de betrokken Nederlandse architecten een eyeopener. Een van hen was Sjoerd Soeters, die tijdens het traject geregeld de supervisie overnam van de Luxemburgse architect Rob Krier. Van Krier kwam het masterplan.
Dat was schrikken, herinnert Soeters zich. ‘Hij zag de stad als een rode piepschuimplaat en daaruit sneed hij een hoefijzervormige openbare ruimte. De gebouwen die eromheen zouden komen, moesten zich daarnaar voegen. Een heel nieuwe werkwijze; wij kregen het er aanvankelijk stinkend benauwd van.’ Het was in die tijd gebruikelijker om van het gebouw uit te gaan en daarvoor vervolgens een plekje te zoeken op de stadsplattegrond. ‘Wij moesten leren die vertrouwde aanpak om te draaien’, aldus Soeters.
Privévliegtuig
Het Haagse gebied kwam halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw vrij voor nieuwe bebouwing. De daar gevestigde Staatsdrukkerij vertrok en in dezelfde periode brandde het ministeriegebouw van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen – waar de Muzen in de naamgeving naar verwijzen – tot de grond toe af. Het duurde even voordat er iets met de locatie gebeurde. Eerst werd de Britse coryfee sir Norman Foster gevraagd om een masterplan. Met zijn privévliegtuig kwam hij naar Den Haag en de zaak leek beklonken. Totdat Foster erachter kwam dat het afgesproken budget – ongeveer ƒ 450.000 – niet in ponden maar in guldens was berekend. Hij zag ervan af en in 1988 werd de Weense hoogleraar en architect Rob Krier aangesteld. Vijf jaar later keurde de Haagse gemeenteraad zijn plannen voor het gebied goed.
Inmiddels was ook Ton Meijer van MAB aangeschoven. Meijer had het volgens architect Soeters niet zo op het in Nederland toen gangbare modernistische functionalisme. Hij drong erop aan ook buitenlandse postmodernistische architecten te vragen, onder wie Michael Graves en Adolfo Natalini. Die laatste ontfermde zich over het Muzenplein. De Haagse Tieten – Castalia – kwamen van Graves, die zich niet druk maakte over de bijnaam. ‘Beter een bijnaam dan een anoniem, karakterloos gebouw’, zei hij naderhand in een interview. Soeters ontwierp het ministeriegebouw Helicon aan de Turfmarkt.
Typisch Krier
Het gebied werd gefaseerd opgeleverd, maar de Muzentoren – een ontwerp van Krier zelf – opende exact 25 jaar geleden zijn deuren als verzamelgebouw voor verschillende kleinere bedrijven en instanties. Het achtkantige gebouw is 78 meter hoog en beschikt over een kleine 18.000 m² aan brutovloeroppervlak, verdeeld over achttien verdiepingen. De gevel is opgetrokken uit donkergrijze met helderblauwe stenen, uit het koperen dak steekt een spits.
Dat monumentale was typisch Krier, zegt de Eindhovense architect Bert Dirrix. Hij werd bij de plannen voor de Resident betrokken nadat hij in 1990 de Prix de Rome had gewonnen, maar voelde zich een ‘architectonisch buitenbeentje’. Als jonge dertiger stond hij naar eigen zeggen bekend om radicale, avant-gardistische ontwerpen. ‘Soms kreeg ik faxen van Krier waarin stond: Gerne aus meinem Repertoire. Ik kreeg dus duidelijke instructies. Zware fundamenten, een klassiek middendeel en bovenaan transparant, dat waren zijn richtlijnen. Voor mij was dat best ingewikkeld, ik had een andere stijl.’ Dirrix volgde zoveel mogelijk zijn eigen weg, hield het rustig met de ornamentiek en bracht wat lichtheid in zijn ontwerp van het gebouw aan de Muzenstraat dat hij kreeg toebedeeld. Een ander gebouw raakte hij vanwege dit verschil in benadering kwijt aan een andere architect in het team.
Glorietijd van de PPS
Niet alleen de opzet van De Resident was bijzonder, dat gold ook voor de samenwerking tussen negen binnen- en buitenlandse architecten. Die kreeg vorm tijdens verschillende workshops. Een waardevolle werkwijze, vond Dirrix. ‘We begonnen vanaf nul en voerden heel open dialogen over het stedelijk plan en de verdeling van ontwerpen, vaak ook met de wethouder van Den Haag erbij. Zo’n aanpak zie je nu vaker, maar was voor die tijd bijzonder. Al was wel meteen duidelijk dat figuren als Graves en Natalini de prominente gebouwen zouden doen.’
Het was de glorietijd van de publiek–private samenwerkingen (PPS), een werkvorm die het proces volgens Soeters bespoedigde. Hij betreurt dat het PPS-model na de financiële crisis werd verlaten. Samen met Mariet Schoenmakers van MAB was hij destijds kind aan huis bij de Haagse welstandscommissie, maar al te grote aanpassingen waren niet nodig. ‘We vormden een sterk conglomeraat van architecten, MAB, de gemeente en de Rijksgebouwendienst. Daardoor hoefde niet elke ambtenaar er opnieuw zijn plasje over te doen, dat scheelde gedoe. Als je steeds maar wijzigingen moet aanbrengen, komt dat de kwaliteit meestal ook niet ten goede.’
Contact maken als uitgangspunt
De Resident luidde in Nederland de opmars in van de New Urbanism-stroming, met Soeters voorop. Het Haagse project bleek bepalend voor zijn verdere carrière. Zo ontwierp hij volgens dezelfde principes de nieuwbouw op het Amsterdamse Java-eiland. ‘Voortaan keek ik eerst naar de relatie van mensen met de ruimte, naar de wanden van gebouwen en levendige plinten. Voorheen was het autoverkeer bepalend, nu drong het besef door dat de omgeving vooral prettig moet zijn voor voetgangers. De openbare ruimte heb ik steeds verder ingekrompen. Contact maken met elkaar is het uitgangspunt van een humane stad.’
Cultuurstrijd
‘Een kantelpunt voor de Nederlandse architectuur’, aldus Leo Oorschot, als onderzoeker verbonden aan de TU Delft en aan atelier PRO Architekten. Krier introduceerde met zijn plan voor De Resident volgens Oorschot een nieuwe manier van denken over de samenhang tussen openbare ruimte en gebouwen. ‘Rond de jaren negentig was in Europa een cultuurstrijd gaande over het herbouwen van oude stadscentra, onder meer in Berlijn. Koos je voor het Singaporese model met één en al wolkenkrabbers, zoals Rem Koolhaas deed, of voor het Europese model? Krier koos voor het laatste. Hij richtte zich op barokke Franse en Britse steden en was goed in monumentale ruimten, met mooie, in elkaar overlopende pleinen. Daaraan werden vervolgens de gebouwen gesitueerd. Anders dan bijvoorbeeld in stadswijk de Binckhorst, waar de gebouwen aan bestaande straten werden neergeplempt.’
Onderdeel van Kriers aanpak was wat Oorschot de ‘needle strategy’ noemt: een tamelijk platte stad die in het midden wat hoger wordt en waar losse slanke torens uitsteken, te vergelijken met de kerktorens in historische steden. ‘In Den Haag was het motief dat je op deze manier tussen de gebouwen door de zeelucht blijft zien. Dat is karakteristiek voor de stad. Anders dan bijvoorbeeld in Rotterdam, waar je bij nadering van de Van Brienenoordbrug een dikke brei van hoge gebouwen ziet’, aldus Oorschot.
Beschouwt hij De Resident met al zijn verwijzingen naar het verleden als ‘historiserende’ architectuur? ‘Dat vind ik een non-discussie. Verwijzingen zie je in alle architectuur. Nee, dit ensemble valt echt onder het postmodernisme.’
Weinig uitnodigend
Wel betreurt Oorschot een concessie die Krier moest doen tijdens de ontwikkeling van de plannen. Het idee was aanvankelijk dat de looproute vanaf het hoefijzervormige Muzenplein halverwege de Turfmarkt zou afbuigen naar het plein voor het station. Hierover had Krier volgens Oorschot ‘een beetje ruzie’ met toenmalig Rijksbouwmeester Kees Rijnboutt, die vreesde dat zijn ministeries verderop aan de Turfmarkt daardoor minder prominent gepositioneerd zouden zijn. De Muzenlaan voert nu in een rechte lijn naar de Zwarteweg aan de Singel. Jammer, vindt Oorschot. ‘Het Muzenplein is niet de gezelligste plek geworden, een beetje doods. Dat was denk ik anders geweest als die oorspronkelijke route was doorgegaan.’
Ook Dirrix heeft het plein altijd ‘weinig uitnodigend’ gevonden. ‘Ik had nooit zoveel met die ingesloten vorm, met de Muzentoren als een soort stop op de fles. Je loopt er eerder omheen dan doorheen. Wel vind ik De Resident een evenwichtig geheel geworden, met een mooie compositie van gebouwen, die goed op elkaar zijn afgestemd.’
Meer reuring
En de laatste jaren begint het gebied ook wat levendiger te worden, valt onderzoeker Oorschot op. Dat is volgens hem vooral te danken aan de naburige nieuwe concertzaal Amare en een vestiging van de Leidse Universiteit aan de Turfmarkt, waardoor rond het station nu meer reuring is. ‘Voorheen ging de Turfmarkt dicht zodra de ambtenaren waren vertrokken, nu is er ook ’s avonds nog leven.’
Wat mogelijk meehelpt, is dat de Muzentoren geen kantoren meer huisvest, maar twee Marriott-hotels inclusief horeca. Dat zijn Moxy The Hague met 185 hotelkamers en Residence Inn, met 127 studio’s en appartementen voor wat langduriger verblijf. Beide hotels werden vier jaar geleden opgeleverd, na een grondige transformatie van de toren door International Hotel Capital Partners. Eigenaar Deka Immobilien schakelde daarvoor eind 2016 Peak Development en architect Adriaan Risseeuw van ZZDP Architecten in.
Dat in de Muzentoren nieuwe functies ondergebracht konden worden, maakt Kriers gebouw bij uitstek duurzaam, vindt Soeters. Hij heeft de gewoonte om af en toe zijn vroegere ontwerpen te bezoeken, dus ook op het Muzenplein komt hij nog weleens. ‘Ik denk er met veel plezier aan terug. Het proces was behoorlijk spannend, maar dat is eigenlijk altijd zo. Als architect ga je niet in een rechte lijn van a naar b, zoals in de trein. Je zit eerder in een zeilboot. Je hebt het vertrouwen dat je b gaat bereiken, maar hoe en wanneer, dat weet je niet. Je kunt alleen maar hard werken en nieuwsgierig zijn naar de afloop.’
Zilveren jubileum
In het jaar dat PropertyNL zijn 25-jarig jubileum viert, zetten we beeldbepalende gebouwen in de schijnwerpers die eveneens 25 jaar oud zijn. In januari trapten we af met het Nieuwe Luxor Theater in Rotterdam, gevolgd door de Mondriaantoren in Amsterdam, de Mevlana Moskee in Rotterdam en Wall House 2 in Groningen.
