Vrijwel overal in Europa zijn in de jaren zestig hoogbouw-woningcomplexen tot stand gekomen. Deze complexen, die zich veelal kenmerken door uniformiteit en gebrek aan identiteit, vormen in feite het enige werkelijk Europese woningtype. Al spoedig bleken er echter ook nadelen aan deze vorm van woningbouw verbonden te zijn en momenteel is deze hoogbouw in veel landen een problematisch deel van de woningmarkt geworden.
Gepubliceerd in PropertyNL Magazine, 7 juli 2005
Dit woningtype is het onderwerp van een recent verschenen studie, die onder andere tot doel heeft een duidelijker beeld te schetsen van de toekomstmogelijkheden van de hoogbouwcomplexen. De kern van het boek bestaat uit vijftien verhandelingen over hoogbouw in evenzovele Europese landen. Onder hoogbouw wordt daarbij verstaan een gebouw met ten minste vijf verdiepingen en een lift. De helft van alle hoogbouwwoningen in Europa staat in slechts drie landen: Spanje, Oekraïne en Italië.
De hoogbouwgolf in Europa vindt zijn ontstaan in een aantal ontwikkelingen, die in de jaren zestig samenvielen. De voornaamste zijn de noodzaak iets te doen aan de tekorten aan woningen, de aanwezigheid van nieuwe bouwtechnieken en een grote mate van vertrouwen in moderne architectuur, die mede gebaseerd was op de opvattingen van Le Corbusier. Zijn ‘modernisme’ bracht echter niet de verwachte nieuwe maatschappij, maar wel een veelheid aan problemen. Deze waren deels van technische aard, maar hadden vaak ook te maken met de vele semi-openbare ruimtes in en rond de hoogbouwcomplexen.
Wat betreft de toekomst, veel van deze complexen zijn nu dertig tot veertig jaar oud en dat betekent dat er gekozen moet worden tussen investeren of slopen. Slopen valt mede te overwegen omdat in West- en Noord-Europa hoogbouw als woonvorm nooit algemene acceptatie heeft gevonden. Het aantal hoogbouwwoningen is echter zo groot dat slopen alleen geen optie kan zijn. Deze constatering leidt weer tot een aantal andere keuzes. Wordt de aandacht alleen gericht op de gebouwen of ook op de omgeving? Worden de woningen verbeterd ten dienste van de huidige bewoners of wordt ook gekeken naar de toekomst? Wordt gekozen voor het handhaven van de huidige marktpositie of wordt gestreefd naar herpositionering? Voor deze vragen bestaat geen algemeen antwoord en oplossingen kunnen alleen op lokaal niveau gevonden worden.
Bij lezing van de bijdragen over de diverse landen vallen vooral twee zaken op. In de eerste plaats is het opmerkelijk hoe vaak de naam van Le Corbusier wordt genoemd. Hij heeft een grote, maar uiteindelijk een sterk negatieve invloed uitgeoefend met zijn ideeën. Ten tweede is er, ondanks de verschillen tussen de landen, toch wel een grote lijn in de verhalen te ontwaren. Er kan zelfs een soort overkoepelende theorie ontdekt worden. In elke woningmarkt is er een hiërarchie van woningaanbod naar gewenstheid; ook zijn er uiteenlopende bevolkingsgroepen. De groepen onderaan de ladder komen uiteindelijk terecht in de laagst aangeschreven woningen. Dit zijn vaak de hoogbouwcomplexen. Deze ontwikkeling kan geen verbazing wekken, omdat de uitgangskwaliteit van de betreffende woningen overwegend beperkt was. Ook zijn de locaties vaak suboptimaal: in veel gevallen koos men voor goedkope grond waar gemakkelijk te bouwen viel. Het enige dat verbazing wekt, is hoe snel de daling van de relatieve positie van dit type woningen soms gegaan is.
Dit sluit niet uit dat er ook goed functionerende hoogbouw bestaat. In Spanje bijvoorbeeld is hoogbouw normaal: in de grote steden is ruim 60% van alle woningen te vinden in gebouwen met meer dan vijf woonlagen. De problemen concentreren zich in de complexen van type C, bestaande uit sociale woningbouw in de periferie. In Frankrijk zijn hoogbouwcomplexen vrijwel uitsluitend in de sociale sector gebouwd. Zij staan bovendien overwegend aan de periferie van de grote steden. Geleidelijk veranderde de aard van de bewoners van deze complexen en inmiddels zijn immigranten en werklozen sterk oververtegenwoordigd.
De vijftien hoofdstukken over de diverse landen zijn steeds informatief en zijn redelijk vergelijkbaar qua opzet en kwaliteit. In een afsluitend artikel worden de belangrijkste feiten en trends uit deze hoofdstukken samengevat. Ook wordt een poging gedaan de positie van de hoogbouwcomplexen op de woningmarkt in verband te brengen met megatrends. Dit lijkt onnodig gecompliceerd, want het probleem van veel hoogbouw is uiterst eenvoudig. In de meeste woningmarkten behoren de hoogbouwcomplexen uit de jaren zestig tot de onderkant van de woningmarkt en dat zal waarschijnlijk niet snel veranderen.
R. Turkington, R. van Kempen, F. Wassenberg (eds.), High-rise housing in Europe,
DUP Science, ISBN90-407-2483-0









